Jack
boekbespreking6.jpg

 

Jan Wilts

 

In het voorvorige nummer van Kerk in Stad (nummer 4) besprak Evert Jan Veldman het boek Gilead (2004) van Marilynne Robinson. Hij had het herlezen – en zonder het van elkaar te weten hebben we dat allebei gedaan. Avonden zomaar vrij, tijd om te lezen. Deze recensie wijd ik aan het nieuwste boek van Robinson, het heet Jack (2020). En ik schrijf aan het slot van deze recensie nog graag iets over Robinsons religieuze humaniteit.

Maar eerst Jack. Het boek Jack speelt in de periode die voorafgaat aan de periode die in Gilead beschreven is. Eind jaren ’40, begin jaren ’50 in de Mid-West van Amerika.

 

Jack woont in een smerig kamerverhuurgebouw in St Louis, Missouri. Hij heeft net gezeten voor diefstal en rijgt wat baantjes aan elkaar om in zijn alcoholisme te voorzien. Dan ontmoet hij Della, bij toeval, op straat. Zij verliest haar papieren en hij raapt ze op. De twee krijgen een relatie. Della is zwart en Jack is wit. Della raakt in verwachting. Dat is een dubbele moeilijkheid voor Della in haar familie: ongetrouwd zwanger en een gemengde relatie. Zal haar familie hem accepteren?

 

Indrukwekkend in het boek is een lange nachtelijke dialoog op de grote begraafplaats van St Louis. Della houdt in dat gesprek vol dat alle afweer van Jack, zijn pijn en verlatenheid, alle gebrek aan eigenwaarde, alleen maar het omhulsel zijn van zijn pure ziel. Die heeft ze gezien. En ze hoopt dat Jack dat ook kan en wil. Robinson beschrijft dat – en zo is ook haar stijl – met veel aandacht voor sfeer, voor kleur en licht en vooral vanuit een diep doorvoelde humaniteit. Wat is Jack, de verloren zoon, waard? ‘Grace’, dat is het Engelse woord voor genade, kan meer dan het Nederlandse woord ‘genade’ de waardigheid van wie ‘grace’ toekomt tot uitdrukking brengen.

 

De boeken Jack en Gilead maken deel uit van reeks van vier boeken. De andere twee zijn Home (2008 - vertaald als Thuis) en Lila (2014). De vier boeken zijn onafhankelijk van elkaar te lezen – ze vormen elk voor zich een dieptepeiling van schijnbaar marginale mensen en hun onderlinge verbondenheid, telkens vanuit het perspectief van een andere hoofdpersoon.

 

Nu kom ik bij het tweede punt, Robinsons religieuze humaniteit. Behalve vijf romans heeft ze ook een aantal essaybundels gepubliceerd. In die essays is ze op zoek naar wat mensen mensen maakt. Ze kiest daarvoor een benadering die het geleefde geloof als een positieve ervaring ziet. Net als kunst en literatuur. Tegen een benadering, zoals sommige filosofen en natuurwetenschappers hanteren – zij reduceren een mens tot speelbal van driften, tot mengvat van chemie, tot kosmisch toeval – pleit Robinson in haar essays voor een herwaardering van de ‘mind’. Dat Engelse woord kan ‘verstand’ betekenen, maar bij Robinson is het veeleer: ervaring, innerlijk leven, geestkracht, voelen met aandacht. Dat is wat mensen mensen maakt. Religie maakt daar een verheffend en onlosmakelijk deel van uit.

 

Robinson is opgegroeid in het protestantisme en heeft de bezielende werking daarvan ervaren, ook in de toewijding aan democratische waarden en het verzet tegen racisme. Gelovig leven – ook in andere religies – behoedt de waardigheid van mensen. Robinsons romans vormen de verhalende kant van haar religieuze humaniteit – de essays de filosofische kant.

 

Robinsons taal, haar dieptepeilingen van de ‘mind’, maken de (her)lezer weerbaar tegen platte visies op wie een mens is, op het steeds verder afpellen van wat mensen waardig maakt en tegen leiders die mensen slechts als een middel voor hun macht zien. Daarom is haar lezerskring veel groter dan die van protestanten of gelovigen alleen.

 

Marilynne Robinson, Jack, vertaald door Ton Heuvelmans
Amsterdam: De Arbeiderspers, 2020
ISBN: 978 90 295 4264 7 | € 22,50