Zielen van kristal
1073px-quartz-oisan.jpg

 

Het is de hoogste tijd dat we meer over de ziel gaan praten. De ziel, het is zo’n woord uit de christelijke traditie dat een probleem is geworden, maar waar we ook niet zonder kunnen. We horen stemmen die zeggen: we moeten beter voor ons lichaam zorgen. Er zijn ook stemmen die zeggen: we moeten veel meer aandacht besteden aan onze mentale gezondheid. Ik wil daaraan toevoegen: we moeten meer zorg en aandacht besteden aan onze ziel. De lijdenstijd, met haar focus op onthechting, vasten en bidden, lijkt mij daar een uitstekende tijd voor

De vraag is: hoe zorg je voor iets waarvan je niet goed weet wat het is? Hoe doe je aan ziel(zelf)zorg? Ik wil deze vraag in dit stuk verkennen door eerst wat opmerkingen te maken over de ziel en daarna bij de apostel Paulus (mijn favoriete theoloog) een beeld te lenen dat ons misschien verder kan helpen.

 

Wat is de ziel?

Wat is de ziel? Dat is niet zo gemakkelijk om te zeggen, en daarmee wordt misschien wel direct het belangrijkste over de ziel gezegd. Het woord ziel duidt op het mysterie-karakter van ons mens-zijn. Wij weten dat God ten diepste voor ons een mysterie is, waar we tastend, met groot arsenaal van beelden en verhalen, over spreken. Met de ziel is net zoiets aan de hand. Dat is niet verwonderlijk, want de mens is gemaakt naar Gods beeld. Augustinus verwoordt het zo: “Het zelf dat we zoeken is het zelf dat zoekt.”1

 

Als de diepste kern van ons mens-zijn mysterie is, dan betekent dat dus dat we niet plat materialistisch over de mens mogen spreken. Dan is alle diepte en spanning eruit. Wij zijn niet ons brein2 maar we hebben een brein. Reductionistisch praten over de mens strookt trouwens ook niet met onze ervaring van onszelf, daarvoor zijn onze angsten, verlangens, vreugden en verdriet veel te diep en echt. Ik deel de allergie van Herman Finkers wel over zinnetjes als ‘iets is in wezen niets dan… een boom is in wezen niets dan een zuurstoffabriek’. Nee, dan de kapelaan, die zei “Er is maar één God en die bestaat uit drie personen. Eindelijk iemand waarmee je fatsoenlijk kunt praten.”3

 

Rikkert Zuiderveld, zoals dichters dat kunnen, verwoordt het mysterieuze karakter van de mens heel mooi:

 

De ganzen vliegen over naar een land hier ver vandaan
ik denk aan alles wat ik losliet

waar ik naar verlangde en hoe het is gegaan
en hoe ik altijd weer tekortschiet

wij zijn als ijskristal
hard als staal
en breekbaar
breekbaar als glas4

 

Rikkert laat zien hoe wij niet alleen te dealen hebben met eten en drinken maar ook met verlies, verlangens, schuld en schaamte. Hij laat zien hoe vreemd mensen zijn: soms snoeihard en tegelijkertijd uiterst kwetsbaar. Dat beeld van kristal is goed gevonden. Dat beeld werd eeuwen eerder al gebruikt door Teresa van Avila.5 Rikkert duidt op de breekbaarheid en de hardheid, Teresa voegt daar iets aan toe: in ’t donker heb je er niks aan. De ziel leeft van Gods licht. Daarom kan zorg voor de ziel alleen plaatsvinden als het God zoekt, de bron van het licht. Of met de woorden van Jezus: de mens leeft niet bij brood alleen, maar ook bij het Woord dat van God uitgaat. Woord van God, voedsel voor, inderdaad, de ziel.

 

 

De ziel duidt op de diepten en de dynamiek in ons mens-zijn. Op het feit dat we niet alleen een buitenkant, ons lichaam, hebben, maar ook een binnenkant. Je kan deze binnenkant behouden maar ook verliezen. Ik vraag me wel eens af of we daar in deze bijzondere tijden taal voor hebben, dat we als natie in deze tijd onze ziel kunnen verliezen. Ik meen daar signalen van te zien: uitbarstingen van geweld, gegraai naar vaccins waardoor de zogenaamde derdewereldlanden pas in 2022 gevaccineerd kunnen worden. Diep wantrouwen naar de goede bedoelingen van de overheid, maar andersom ook een overheid die (wanhopig?) alles maar probeert wat misschien zou kunnen helpen. Als we straks de pandemie ‘onder controle’ hebben en de economie weer aan de praat, zijn we er dan uitgekomen als mooiere mensen, of moet de conclusie zijn: wereld gewonnen - ziel verloren?

 

Zorg voor de ziel

Hoe zorg je voor je ziel? Paulus suggereert dat je je ziel kunt trainen. In de brief aan de gelovigen in Korinthe brengt Paulus een bekend beeld binnen, dat van de atleet.

 

Weet u niet dat van de atleten die in het stadion een wedloop houden er maar één de prijs kan winnen? Ren als de atleet die wint. Iedereen die aan een wedstrijd deelneemt beheerst zich in alles; atleten doen het voor een vergankelijke erekrans, wij echter voor een onvergankelijke. Daarom ren ik niet als iemand die geen doel heeft, vecht ik niet als een vuistvechter die in de lucht slaat. Ik hard mezelf en oefen me in zelfbeheersing, want ik wil niet aan anderen de spelregels opleggen om uiteindelijk zelf te worden gediskwalificeerd.6

 

Ik heb dit zelf altijd een tamelijk onbruikbaar beeld gevonden voor de wereld van het geloof. In veel opzichten past de topsportwereld meer bij onze huidige wereld dan bij het Koninkrijk van God. Het staat voor competitie, het recht van de sterkste, de voorkeur voor de vitale en zelfstandige mens die niemand nodig heeft. Het is eerder de übermensch van Nietzsche dan de man van smarten van Jesaja. Maar tegelijkertijd stellen de topsporters in onze tijd ons wel een vraag: Heb je er net zo veel voor over als ik? Vind je je ziel net zo belangrijk als ik mijn topsportlichaam? Hoe traint een topsporter? Door oefening en onthouding. Train, eat, sleep, repeat.

 

Oefening en onthouding

Het beeld van de topsporter helpt mij om de zorg voor de ziel vorm te geven. Oefening en onthouding. Onthouding doet sterk denken aan vasten. Het duidt op alles wat de sporter hindert om tot goede prestaties te komen: tabak, alcohol, slechte vetten. Het schept daardoor ruimte te om oefenen wat geoefend moet worden.

 

Vasten in de christelijke traditie is niet mee-lijden met Christus. Christus’ lijden voor ons betekent dat wij ’t lijden niet hoeven op te zoeken. Vasten is niet lijden, daar is het lijden veel te passief (lijden: passio) voor. Vasten is actief! Het is trainen om zo ruimte te scheppen voor de Lijdende in ons leven, en daarmee met al het lijden in de wereld. Daarom kan vasten dus nooit een doel in zichzelf worden. Het is een middel om dichter bij God te komen, een middel om de ziel te laten baden in Gods licht. Daarom is het en/en: onthouding en oefening, vasten en bidden. Want het kan zomaar gebeuren, dat we in onze protestantse herontdekkingsvreugde van het vasten de zaak zelf direct weer kwijtraken: dat de ziel wordt gewonnen door het voortdurend in contact te brengen met de lijdende Heer.

 

1) Augustinus, Belijdenissen, boek X.
2) Dick Swaab, Wij zijn ons brein, (2010).
3) Uit: Na de pauze (2007), ook gepubliceerd in: Trouw, 3 oktober 2009.
4) Van het album Solo (2007).
5) Arjan Plaisier, Zorg voor de ziel, (2020), 62.
6) 1 Kor 9:24-27.