Zuiverheid en zuivering
theologisch-artikel2-2.jpg

Een drieluik: deel 2

De Kroatische theoloog Miroslav Volf ontwikkelde tegen de achtergrond van de ‘etnische zuiveringen’ op de Balkan een theologie van ‘uitsluiting en omarming’.1 Uitsluiting is fundamenteel in zijn begrip van zonde: de ander wordt geen ruimte gegund maar buitengesloten. Het tegenbeeld daarvan is de omarming: die staat voor genade en verzoening. Genade verwelkomt, biedt ruimte aan de ander. Uitsluiting kan een brute vorm aannemen, zoals de moord van Kaïn op Abel of zoals de wreedheden in Bosnië en Rwanda in de negentiger jaren. Maar, uitsluiting kan zich ook subtiel uiten in een vorm van zuiverheid, die in bevolkingsgroepen en religieuze kringen als een deugd wordt gezien.

 

De mens die buitensluit zondigt

In Jezus’ dagen hoorden hoeren, belastingambtenaren, Samaritanen, heidenen bij de ‘social outcasts’: de uitgestotenen. Die uitstoting werd als een deugd gezien. Een rein en vroom mens diende zich verre te houden van de onreinen. Jezus’ tafelgemeenschap met uitgestoten zondaren en tollenaren zette deze opvatting van zonde op zijn kop: “de werkelijke zondaar is niet de uitgestotene maar degene die uitstoot!” Volf illustreert dit met de gelijkenis van de verloren zoon (Lukas 15:11-32). Daarin staat een vuile jongste zoon, erg veel lijkend op de zondaren en tollenaren, naast een zuivere oudste zoon, die veel gelijkenis vertoont met de Farizeeën. Voor Volf zondigt niet alleen de jongste, maar ook de oudste: “degene die zijn jongere broer een omarming onthoudt en verwacht dat hij buiten de deur wordt gezet”. De jongste sluit zijn vader en broer buiten door weg te gaan. De oudste sluit beiden buiten door zijn weigering het feest te bezoeken. De oudste zoon vindt dat hij in gehoorzaamheid aan de wet zuiver in het leven staat. “Ik vroeg u nooit om een bokje, terwijl die zoon van u zijn goed met hoeren heeft doorgebracht...” Zijn vermeende zuiverheid brengt hem ertoe zijn jongere broer uit te stoten.

 

Uitsluiting als deugd

Een zuivere zoon met het gelijk aan zijn kant, net als de Farizeeën in Markus 3, kan volgens Jezus een zondaar zijn. Dat is verontrustend. Kaïn sloot zijn broer Abel buiten door hem te elimineren. Afschuwelijk maar simpel. Weinig mensen zullen ontkennen dat hier sprake is van een misdaad, ook hijzelf niet. Bij uitsluiting als ‘zuiverheid/puurheid’ is dat veel ingewikkelder: deze vorm van uitsluiting dient zich namelijk aan als een deugd! Een deugd bedreven door mensen die verlangen naar zuiverheid, met het gelijk aan hun kant. Hun streven naar zuiverheid wordt zuivering: “gevaarlijke puurheid” (Lévy). De oudste zoon belandt ongedacht op een plek waar je hem niet verwacht: naast Kaïn. Zuivere wetsbetrachters, Farizeeërs, beramen uiteindelijk de dood van een onschuldige, een Rechtvaardige. De jacht naar zuiver bloed, een zuiver territorium, zuivere wortels en een zuivere religie brengt mensen tot geweld. Hoe kan dat?

 

Niet afscheiden maar onderscheiden

Volgens Volg heeft dat te maken met hoe zij hun identiteit hebben ontwikkeld. Je kunt als groep je identiteit ontwikkelen door separatie (afscheiding). Er wordt een stabiel wij tegenover een stabiel zij gecreëerd, duidelijk onderscheiden van de ander en compleet in zichzelf. Volf ziet weinig in deze benadering van identiteit. Deze vereist geweld tot behoud van de eigen identiteit: wat vreemd is moet buiten de deur gehouden worden. Andere personen of culturen vormen zo een bedreiging voor oorspronkelijkheid en zuiverheid. Volgens Volf moet de ontwikkeling van identiteit het niet van afscheiding maar van onderscheiding (differentiatie) hebben. Volf volgt hierin Cornelis Plantinga, die Gods scheppingsactiviteit in Genesis 1 als een proces van “onderscheiden en verbinden” beschrijft. God begint Zijn scheppingswerk met onderscheid aan te brengen: hij onderscheidt licht van duister, dag van nacht, water van land, zeedieren en landdieren. Tegelijk verbindt Hij al scheppend: Hij verbindt de mens aan de rest van de schepping als zorgdragers, aan zichzelf als Zijn beeld en aan elkaar als volmaakte aanvulling van elkaar.

 

Identiteitsontwikkeling door onderscheiden en verbinden

Volgens Volf roept God de mens zijn identiteit volgens hetzelfde patroon te vormen: in een creatief en complex proces van scheiden/onderscheiden en verbinden. “Wij zijn niet wie wij zijn omdat wij onderscheiden zijn van anderen, maar wij zijn zowel onderscheiden als verbonden met elkaar, we zijn zowel verschillend als verbonden.” De grenzen die onze identiteit markeren zijn zowel bruggen als barrières. Identiteit is zo niet het resultaat van een zorgvuldige, zuivere afscheiding van de ander, maar van een evenwicht in het zowel onderscheiden zijn van de ander als verbonden zijn in relatie met de ander. “Ik ben wie ik ben, zowel omdat ik onderscheiden ben van mijn vrouw Judith Gundry-Volf, als omdat ik in een jarenlange relatie met haar gevormd ben. De ene mens kan niet zonder de ander gedacht worden”, zegt Volf Paul Ricoeur na. Identiteit ontwikkelt zich binnen het spanningsveld van gerelateerde polen: het ‘zelf’ en ‘de ander’.

 

Een verstoorde balans

Het complexe creatieve proces van scheiden en verbinden tussen wordt bedreigd door zonde. Zonde doorbreekt de balans van separeren en binden. Zij poogt interdependentie (gezonde wederzijdse afhankelijkheid) te verstoren. Dat kan door een te grote nadruk te leggen op onderscheiden waarbij het verbinden wordt geschonden. Een tegengestelde beweging is ook mogelijk: binding gaat hier ten koste van onderscheid. Wat was er volgens Volf aan de hand met de Farizeeën? De creatieve spanning van onderscheid-en-binding was niet in balans. Zij werd door hen gereduceerd tot afscheiding. Let wel op hun naam: Peroesjim: separeerders/gesepareerden! Soeverein zijn zij een stabiel, zondeloos wij tegenover zij, tollenaars en zondaren en degene die met hen eet: Jezus. Wat doet Jezus aan het herstel van die balans? In het derde deel van het drieluik ga ik daarop in. Dan wordt het ook praktischer, na dit nogal theoretische tweede deel.

 

Het eerste deel in dit drieluik was te lezen in Kerk in Stad 24 van 2020, p. 5.

 

1) Zie: M. Volf, Exclusion and Embrace: A Theological Exploration of Identity, Otherness, and Reconciliation, Nashville, 1996; Judith M. Gundry-Volf and Miroslav Volf, A Spacious Heart: Essays on Identity and Belonging, (CMMC), Harrisburg, 1997.