God te kennen door geloof
kerk-en-samenleving3.jpg

Hoe goed weet ik de bron die welt en stroomt,
al is het nacht.

1. Die eeuwige bron is verborgen,
hoe goed weet ik waar zij haar verblijf houdt,
al is het nacht.

2. Haar oorsprong weet ik niet, want die heeft zij niet,
wel weet ik dat alles uit haar zijn oorsprong heeft,
al is het nacht.

3. Ik weet dat geen ding zo mooi kan zijn
en hemel en aarde drinken uit haar,
al is het nacht.

4. Goed weet ik dat zich in haar geen grond bevindt
en dat niemand haar doorwaden kan,
al is het nacht.

5. Haar helderheid donkert nooit
en ik weet dat alle licht voortkomt uit haar,
al is het nacht.

6. Ik weet dat haar stromen zo rijkelijk zijn,
dat zij hellen en hemelen en de mensen bevloeien,
al is het nacht.

7. De stroom, die uit deze bron geboren wordt,
goed weet ik dat zij zo omvattend en almachtig is,
al is het nacht.

8. De stroom, die uit deze twee voortkomt,
ik weet dat geen van beide haar voorafgaat,
al is het nacht.

9. Die bron is verborgen
in dit levend brood om ons leven te geven,
al is het nacht.

10. Hier klinkt de oproep aan de schepselen,
aan dit water verzadigen zij zich – in het donker,
want het is nacht.

11. Die levende bron waarnaar ik verlang,
in dit levensbrood zie ik haar,
al is het nacht.

 

Johannes van het Kruis

 

Van Spaanse heilige, mysticus, dichter en kerkleraar Jan van het Kruis (1542-1591) zijn vooral bekend zijn werken ‘Donkere Nacht’ en zijn geestelijke berggids ‘Bestijging van de berg Karmel’. Tamelijk onbekend bleef zijn relatief kleine poëtische oeuvre.

Rob Kroes

 

Het gedicht Hoe goed weet ik de bron is geschreven als een lied. Deze uitleg probeert te komen tot de essentie, de manier waarop Jan van het Kruis de omvorming in God beschrijft. Van het Kruis schreef Hoe goed weet ik de bron in de kloostercel van de oude Karmel van Toledo. Hierin verbeeldt de nacht minder de rol van de dorheid van de geest en van de zinnen, maar vormt het decor van zijn contemplatie op het sacrament. Van het Kruis beschouwt in dit werk God als bron van de schepping, als opwellende bron.

 

Contemplatie

Naast een contemplatieve overweging vormt het gedicht een lovende beschouwing op Gods werkingen naar de mens in de beelden bron, stroom en brood. Het leidt toe naar de sacramentele openbaring van de verborgen bron in het brood van de eucharistie, als een directe handeling van Jezus Christus. Voor Jan van het Kruis is contemplatie niet zozeer een bepaalde manier of een bijzonder niveau van bidden, dan wel de zelfmededeling van God die aan de ziel wordt geschonken zonder dat zij er zelf iets voor moet of kan doen. Om die reden ligt het dus buiten het bereik van de menselijke prestaties en verdiensten. Het kan enkel in liefdevolle aandacht voor God worden ontvangen door degene die voor God ‘naakt’ en ‘leeg’ durft te zijn. In het schouwen krijgt de mens licht, warmte en wijsheid ingegoten. Het schouwen loutert en verlicht de mens en verenigt hem met God. Aanvankelijk wordt het schouwen als donker en pijnlijk ervaren, omdat de mens nu zijn onzuiverheid, ondeugden en lelijke kanten onder ogen gaat zien. Om die reden identificeert Jan van het Kruis het schouwen vaak met de nacht. Later ervaart de mens het schouwen als omvattend gewaarworden en liefhebben, dat niet onder woorden te brengen is. In het schouwen worden aan de mens geloof, hoop en liefde geschonken, die hem in staat stellen de zelfmededeling van God te ontvangen.

 

Kennis en weten(schap)

De eerste acht strofen onderstrepen het weten van de bron of stroom. Het woord ‘weten’ kan verwijzen naar logische wetenschap of scholastieke theologie, kortom aangeleerde kennisvermeerdering. Dit type Godskennis contrasteert met het kennen door geloof uit de titel. In het woord ‘kennen’ proeft de lezer ook de betekenis van liefhebben, als bron van vertrouwen. Van het Kruis spreekt van liefdevol inzicht. Hij maakt duidelijk dat het bij inzicht (gewaarwording) niet gaat om specifieke kennis, maar het intuïtief begrijpen of aanvoelen dat de mens in het schouwen te beurt valt. Tenslotte kennis als cognitieve beaming en daarin slechts een deel van wat is vereist voor de navolging van Christus. Navolging betreft niet alleen denken maar ook doen, is het advies dat Jan van het Kruis de lezer geeft.

 

De strofische herhaling van het weten wekt bij eerste lezing de schijn dat dit weten een grote rol speelt. Een dergelijk etaleren van de eigen kennis kan fungeren als een stijlfiguur die door overdrijving het tegenovergestelde impliceert, namelijk het niet-weten als weg tot God. Deze herhaling van kennis kan ook aanvoelen als prelude op het ongezegde tegenovergestelde, het niet-kenbare, het onbekende. Tenslotte blijkt zijn overweging niet voort te komen uit het weten, maar des te meer uit overgave, uit goddelijke openbaring in alledaags brood.

 

Nacht

De herhaling van het werkwoord weten en het refrein al is het nacht lijken gezamenlijk te onderstrepen hoe de bron zich altijd en overal aan de mens kan manifesteren, wat er ook gebeurt, zelfs zonder te zien in de donkerte van de nacht. Het goed weten kan de menselijke twijfel verdrijven en zelfs ’s nachts de lezer bemoedigen. Wat de mens ook doet, hoe sterk hij zich ook afkeert van God, toch zetelt God in zijn ziel en blijft de ontmoeting met Hem mogelijk. De wezenlijke openbaring vindt plaats in het stukje brood dat de ik-figuur bij zich heeft. In dat gegeven brood herkent hij, zoals alle schepselen, Gods oproep tot ontmoeten, als bron van leven.

 

De laatste regel van elke strofe is identiek en begint met het woordje al. Dit woordje verweeft ‘de nacht’ in het gehele gedicht als een moeilijkheid zonder van invloed te zijn op de genoemde activiteit. Anderszins kan het woord al de nacht toevoegen als contradictie, oppositie of een beperkende omstandigheid. Het roept de vraag op "is de nacht wel of niet van invloed op het voorafgaande? Het kan helpen om na te gaan hoe Jan van het Kruis nadenkt over het signaalwoord nacht elders in zijn werk. Donkere nacht is een beeld voor de complexe geestelijke werkelijkheid waar mensen ingaan die door God naar de vereniging met hem worden geleid. In de nacht is er frustratie met betrekking tot de vertrouwde religieuze vormen en godsbeelden. Bovendien dringen zich angst en gevoelens van verlatenheid op met betrekking tot de eigen vermogens. Maar tegelijk wordt de donkere nacht gekenmerkt door een hunkering die door niets minder kan worden bevredigd dan door God zelf. Deze hunkering wordt in de laatste strofe herkenbaar in het woord verlangen.

 

God zelf is ook nacht voor de mens, omdat de ogen van een mens hem als verblindend licht niet kunnen vatten. Daarom identificeert Jan van het Kruis het schouwen vaak met de nacht. Niet alleen bepaalde fasen van het leven maar het hele leven van de schouwende mens staat derhalve in het teken van de donkere nacht. Als de mens de passieve, door God bewerkte nacht aanvaard, dat wil zeggen loslaat wat hem wordt ontnomen, kan op wondere wijze in de nacht de vereniging met God plaatsvinden. De nacht van de zinnen hoort bij de fase van de beginners, de nacht van de geest bij die van de gevorderden. Deze laatste is de eigenlijke nacht, waarin de loutering van de geest plaatsvindt en de loutering van het gebied van de zinnen wordt hernomen en op een dieper niveau voltooid.

 

Water en brood

Door het gehele gedicht stroomt het beeld van water totdat in de laatste strofen hieruit het beeld van brood ontstaat. Vormen water en brood het beeld van een karig en sober leven, tijdens detentie of vasten? Beide omstandigheden duiden op radicale veranderingen. Enerzijds in eetpatroon en hoeveelheid, anderszins in de navolging van Christus door Van het Kruis. Paradoxaal, radicaal en boeiend tekent hij in water en brood de verborgen rijkdom van het gehele leven. Hij lijkt zich af te vragen wat er ontbreekt. Neem het minimale tot je en je raakt vervuld met het maximale. Water, uit zowel bron als stroom (en het brood) is vormloos, uit zichzelf, en kenmerkt de gelijkvormigheid met God “die immers geen vorm en gestalte heeft” (Vlam van liefde levend, 3, 52). Geen vorm is een gevolg van ontvorming en ook die overeenkomst onderstreept de kracht in het beeld van water. De woorden bron en stroom wijzen aldus in nagenoeg elke strofe naar de mystieke omvorming.