Gelovig spreken over god na God – op zoek naar levenwekkende geloofstaal
Veranderend geloof in een veranderende cultuur VII

In een veranderende cultuur verandert het zelfverstaan van mensen en daarmee de geloofstaal waarmee ze vertrouwd waren. De ene groep zal daar geen moeite mee hebben en op eigen wijze kiezen en bewaren wat hen blijft aanspreken. Maar ook: een groeiend aantal mensen zal vervreemd raken van die taal of er als jongere generatie niet vertrouwd mee raken.

Dick Tieleman
Secularisatie14
De Lutherse Kerk: alle kerken krijgen te maken met veranderende geloofsbeleving. Foto: Kiek van Siek

In de postmoderne cultuur van de laatste vijftig jaar is dat te zien aan het verminderend bereik van kerk en godsdienst. Die beide zijn niet de exclusieve monopoliehouders van de christelijke traditie maar blijven wel bescheiden bemiddelaars van de christelijke grondwoorden die ook los van kerk en godsdienst zijn uitgewaaierd in leven en cultuur van mensen in christelijk geïnspireerde kunst, muziek en wetenschap.

Oppermachtig
Nu is het diepste en tegelijk meest kwetsbare grondwoord dat met ‘geloven’ verbonden wordt, gegeven met het woord ‘God’. Vele eeuwen lang was een als oppermachtig aangeklede God daarboven in de hemel als zijn woonplaats de Heer over de wereld van mensen hier beneden. In de filosofie heette dat de bovenwereld als ‘transcendentie’ (de voor mensen onbereikbare overzijde) tegenover de ‘immanentie’ (de mensenwereld hier beneden).

Klokkenmaker
Pas vier eeuwen geleden werd het beeld van deze dubbelwereld als strijdig met het toenemende weten van de wetenschap gezien. Nog enige tijd werd gepoogd het dreigende conflict tussen geloven en weten te voorkomen door de almachtige god voor te stellen als klokkenmaker-in-ruste die zijn werk (de klok van deze wereld) had afgeleverd en zich veilig kon terugtrekken. Maar dit zogeheten deïstische godsbeeld was een denkconstructie die tekortdeed aan de realiteit van het religieuze verlangen van mensen. Die constructie kon de protestantse kerk ook niet weerhouden in de Nederlandse Geloofsbelijdenis (1561) op te nemen: “Wij geloven allen met het hart en belijden met de mond, dat er een enig en eenvoudig geestelijk wezen is, hetwelk wij God noemen: eeuwig, onbegrijpelijk, onzichtbaar, onveranderlijk, oneindig, almachtig, volkomen wijs, rechtvaardig, goed en een zeer overvloedige fontein van al het goede.”

Het voert te ver om nu de ‘lotgevallen’ van het spreken en denken over God en godsbeeld in de theologie en geloofservaring van de laatste eeuwen in het kort te typeren. Vormde de theologie in de eerste helft van de vorige eeuw nog een eigen kennisgebouw van de leer als tegenmacht tegenover de moderne cultuur, in de postmoderne op dialoog gerichte cultuur van de laatste zeventig jaar ging er in de voorstellingswereld van geloof, met als centrale notie het godsbeeld, nogal wat schuiven.

Etty Hillesum
Laat ik een hoogstpersoonlijk en ontroerend voorbeeld geven. In haar dagboek schreef Etty Hillesum op 12 juni 1942: “Ik zal je helpen God, dat je het niet in mij begeeft, maar ik kan van tevoren nergens voor instaan. Maar dit éne wordt me steeds duidelijker: dat jij ons niet kunt helpen, maar dat wij jou moeten helpen en door dat laatste helpen wij onszelf.”

Het is opmerkelijk hoe deze jonge vrouw, van huis uit noch christelijk noch joods, vermoedelijk niet bekend met (of gehinderd door) de theologische reflectie van de voorafgaande decennia, tot dat hoogstpersoonlijke beeld van God komt die, ver van de Oppermachtige, als de onmachtige troostend en bemoedigend nabij is in een verbijsterende oorlogstijd.

Mondige mensen
Het is de Duitse theoloog Bonhoeffer (1905-1944) die met zijn aantekeningen uit de gevangenis (Verzet en overgave) kerk en theologie voor de decennia na de oorlog te denken gaf met zijn beeld van mondige mensen in een mondige wereld waarin mensen God niet langer moesten zien als de Lückenbüsser, opvuller van de leemten waarvoor mensen zelf verantwoordelijkheid konden en moesten dragen.

Algoed of almachtig
Vanaf enkele decennia na Bonhoeffer tot nu toe werd het denken en spreken in termen van dit veranderende beeld van God aangeduid met de term ‘post-theïstisch’ denken over God; dat wil zeggen: afstand nemend van het beeld van een oppermachtige God. Want het beeld van die algoede en almachtige God roept ook vragen op. Kort gezegd: ofwel kan die almachtige God niet goed zijn zoals Hij het kwaad in de wereld toelaat; ofwel is die God goed maar niet machtig genoeg om mensen voor het lijden te behoeden.

Deus ibi est
Wie dit of-of als een te simpel intellectueel gedachtenspel ervaart komt, als het om een beeld van God gaat, vanzelf weer in de buurt van Etty Hillesum en Bonhoeffer. Het zou goed zijn in geloofsgemeenschappen, van welke vorm of gestalte ook, de traditionele (en zo soms vervreemdende) taal over God te verhelderen naar die verwevenheid van God en mensen die – verrassend genoeg – blijkt overeen te komen met die regel uit het middeleeuwse getijdengebed: ‘Ubi caritas et amor Deus ibi est’ – waar zorg en liefde (door mensen) gedeeld worden, daar is God.

Voorkant nummer 14.JPG

Editie 14 - 2023

Lees meer Bekijk pagina

Schrijf je in voor de nieuwsbrief