“Als je me nodig hebt, bel je me maar”
In gesprek met Wim Barneveld

Het gesprek met Wim Barneveld vond plaats in diens werkkamer, aan de wand vele boeken over architectuur. Hij woont met zijn vrouw in een mooi appartement vlak bij het centrum van de stad, met vanuit zijn woonkamer uitzicht op de Ubbo Emmiussingel. De Protestantse Gemeente Groningen (PGG) kent hem als de architect die jarenlang geadviseerd heeft over beheer, onderhoud en restauratie van kerke­lijke gebouwen. Kerken natuurlijk, maar ook nog een enkele pastorie. Hij heeft tweeëneen­half jaar geleden zijn bedrijf overgedragen aan zijn opvolgers en sinds vorig jaar oktober ook zijn advieswerk voor de PGG aan Erwin van der Veen.

Reinder de Jager
Stadjer3

In het begin van het gesprek stel ik me voor – niet alleen als redactielid, maar ook als koster van de Stefanuskerk in Noorddijk. Aan die kerk heeft hij ook nog een actieve herinnering. Hij was in de jaren negentig betrokken bij het advies over de bouw/verbouw van een eventuele pastorie bij de kerk. Jammer genoeg werd zijn advies op het laat­ste moment niet opgevolgd en moest het toch weer anders. Het is een voorbeeld van kerkelijke molens die niet altijd gaan zoals verwacht. “Ze zeggen wel­eens dat ik van alles tegenhield, maar kerkelijke molens gaan ook traag!” zegt hij. En kosters… tja. Die waren ook wel eens eigenwijs.

Hoe is het voor jou begonnen hier in Groningen?
“Nadat ik in 1979 afgestudeerd ben aan de Techni­sche Universiteit Delft ben ik gaan werken bij P.L. de Vrieze in Groningen. In 1984 heb ik dit bureau overgenomen en sinds 1995 heette het bedrijf O.V.T. Architecten. Enkele jaren terug is de ruime restauratiekennis die wij hebben opgedaan, ook van kerken, overgegaan in DAAD Architecten.”

En nu ben je met pensioen?
“Ja, inderdaad… En sinds oktober ook officieel ge­stopt bij de PGG. Maar in onderhoud en beheer zit­ten veel kleine details die je maar net moet weten – waar zit kraantje zus of aansluiting zo – dus ik heb tegen Hans Vissers gezegd: als je me nodig hebt, bel je me maar! En zoals je ziet (hij gebaart naar zijn onder papieren bedolven bureau) ben ik ook nog wel aan het werk, maar dan vooral met wat ik aardig vind om te doen.”

Kun je iets vertellen hoe je de gebouwen van de kerk in Groningen aantrof toen je net begon?
“Dat was niet zo best. Er was geen planmatig on­derhoud, en in die periode was het bijna dweilen met de kraan open – terwijl er ook een teruggang was in kerkgangers en dus inkomsten. Om maar eens een voorbeeld te noemen: De Der Aakerk had een jaarlijks stookbudget van 150.000 gulden! We zijn toen stap voor stap bezig gegaan om die ver­warming efficiënter te maken met betere ketels… En dat kon uit. Zo’n investering liet zich in zo’n zes jaar terugverdienen. In het begin van mijn werk­zame leven speelde die grote restauratie van de Martinikerk. De Vrieze, waar ik werkte, was daar co-architect. Bij zulke grote projecten is het verstandig om een tweede architect te betrekken, want stel dat de hoofdarchitect komt te overlijden… We zijn rond de jaren negentig vooral bezig geweest met onderhoudsplannen – prioriteiten stellen en stapje voor stapje het onderhoud verbeteren. Tegenwoor­dig werkt de PGG met een vijfjarenplan, dat na on­geveer drie jaar wordt bijgesteld.”

Hoe kijk je aan tegen de energie-opgave waarvoor ook de kerken nu staan?
“Kerken zijn niet te verwarmen. We vergeten vaak dat in vroeger eeuwen kerken helemaal niet ver­warmd werden – maar kom daar maar eens om bij mensen die uit een goed geïsoleerd huis komen. We zijn wat dat betreft wel verwend geworden. Ook vanuit het standpunt van een restaurateur levert verwarmen vaak problemen op: water ver­dampt, het zout uit gesteente blijft over en zet uit, waardoor er scheuren kunnen ontstaan. In vroeger tijd had men eigenlijk maar een paar mogelijkhe­den tot zijn beschikking: de welbekende stoofjes onder de voeten, of van die gesloten herenbanken die de ruimte om de mensen die er zaten verklein­den: een cocon. Over het algemeen geldt: hoe dich­ter de verwarming op de mens, des te effectiever. Maar die enorme ruimtes echt aangenaam verwar­men: vergeet het eigenlijk maar. Nog een tip voor een koster: bereik niet de optimale temperatuur een halfuur vóór de dienst, maar een halfuur na aanvang: dan zitten mensen in een opwarmende kerk.”

Op welk restauratieproject kijk jij met veel genoegen terug?
“Ik kijk met plezier terug op de restauratie van de Oude Kijk in ‘t Jatstraat nummer 6, het ’Hinckaerts­huis’, mede omdat wij er daarna in konden gaan wonen. Maar ook: de opdrachtgever kon gebruik maken van goede regelingen destijds, en keek daarom niet op een cent. Het moest gewoon goed worden en dat is leuk werken. Net zoals bij de res­tauratie van de burcht en het pannenkoekenhuis in Wedde: dat moest ook gewoon goed. En het klooster in Ter Apel – daar waren wij de directie voerende architecten, en de samenwerking met een buitenlandse architect daarbij was heel inspire­rend.”

En wat kerken betreft, ook goede herinneringen?
“Eigenlijk vooral het onder controle krijgen van het beheer en het onderhoud van de kerken, door planmatig te werken. In het begin was het eigenlijk van de ene calamiteit naar de andere catastrofe lopen, nu is dat gelukkig wel anders. Het is mooi dat we dat samen met de kerkvoogden uiteindelijk konden bereiken – soms ook door afstoten van on­roerend goed.”

Voorpagina nummer 3.JPG

Editie 3 - 2023

Lees meer Bekijk pagina

Schrijf je in voor de nieuwsbrief