We volharden in de verwachting

Toen de Duitsers op vrijdag 10 mei 1940 Nederland binnenvielen was het stralend weer. De Bilt mat die dag een maximumtemperatuur van 19,4 graden. Dat prachtige weer hield aan tijdens het daaropvolgende pinksterweekend. De natuur bloeide en geurde overdadig. Nederland was in oorlog, maar zo vertelde mijn oma ons altijd: “Het was zulk prachtig weer dat ik het niet kon geloven”. Pas toen ze op 14 mei vanuit Leiden de rook boven Rotterdam zag, drong de nieuwe werkelijkheid tot haar door.

Annelies Noordhof – Hoorn

Ik moest aan dit verhaal terugdenken de afgelopen weken. Het kreeg opeens een nieuwe dimensie. Half maart maakte het grijze weer plaats voor uitbundig, stralend weer. De haag in de tuin liep uit, de vogels kwetterden er lustig op los, de tulpen bloeiden, de natuur ontvouwde zich. Spittend in de tuin – met mijn geliefden om mij heen – leek COVID-19 iets onwerkelijks. Iets dat niet waar kon zijn. Maar ik hoefde maar een boodschap te gaan doen, mijn vriendin – geveld door corona – te bellen of naar de verhalen van mijn zus te luisteren (verpleegkundige) om me te realiseren dat het echt waar was. Dat het echt waar is.

De huidige beperkingen doen iets met ons: herinneringen en vergelijkingen met het verleden dringen zich aan ons op (hoe onvergelijkbaar ze tegelijkertijd ook zijn). Een oud echtpaar krijgt nu wekelijks de boodschappen op de stoep. De kinderen blijven op veilige afstand in de auto. De vrouw vertelt haar dochter hoezeer deze situatie haar doet denken aan de oorlog – toen mocht ze alleen niet voor het raam staan zwaaien. Soms is het een nabij verleden dat opspeelt: de vlucht uit Joegoslavië of uit Syrië die plotseling herleefd wordt. Alertheid, gespannenheid, onzekerheid en nachtmerries horen voor sommige mensen ook bij deze nieuwe werkelijkheid.

Het verlangen om weer herenigd te worden met geliefden, om weer een kerkdienst bij te wonen, om weer gewoon bij een ander op bezoek te gaan groeit. Of zoals mevrouw Sikkema uit de Martinikerk mij aan de telefoon toevertrouwde: “We snakken ernaar om elkaar weer te ontmoeten”. Houd vol, zegt premier Rutte, bij iedere persconferentie. Maar hoe houden we het vol nu het toch best lang gaat duren? Hoe deden ze dat in de oorlog, toen ze ook niet wisten wanneer de bevrijding zou komen? Gerben Ferwerda van de firma S. Ferwerda, voorheen J. Juchter anno 1808 aan de Vismarkt, vond een manier. Hij werkte tijdens de oorlog in het geheim aan het Nationaal Ontbijtlaken: een herinnering aan de bezetting én de bevrijding. Hij verwerkte de gehele oorlog en de bevrijding in het tafellaken. Het is onderdeel van de expositie ‘En tóch staat de Martini. 75 jaar bevrijding in Groningen’, die in het Groninger Museum is ingericht om de oorlog én 75 jaar bevrijding te herdenken. Dat de Martinitoren nog overeind stond na die hevige bevrijdingsstrijd in april 1945 gaf de Groningers moed. De 144 tafellakens die Ferwerda tijdens de oorlog maakte, waren in april 1945 in een kwartier uitverkocht. Na de oorlog verkocht hij er nog eens 29.442 stuks. Misschien moeten we met elkaar een laken maken. Niet een ontbijtlaken, maar een avondmaalstafellaken. Want we weten dat die dag zal komen, dat we weer met elkaar aan tafel gaan. We weten nog niet wanneer dat zal gebeuren, maar we volharden in de verwachting.