Tablet

“Ik heb iemand doodgeschoten,” zegt zoonlief trots in een roes vanachter zijn tablet. “Nou, dat vind ik helemaal niet mooi,” zeg ik maar hij hoort me niet. Hij is al lang door naar het volgende level. Dat mag als je iemand aan digitale flarden hebt geschoten. Het dilemma dat in zovele huizen speelt staat weer voor ons: Moet ik hem nu dit soort spelletjes laten spelen? Moet een bijna zevenjarige zich in werelden begeven met agressieve figuren, waarin van alles kapotgaat, mensen en dieren bij bosjes worden doodgeschoten?

Ds. Pieter Versloot

Ik weet de antwoorden intussen wel van de rekkelijken en preciezen onder opvoeders. De een wuift het dilemma weg met “ach, het zit er nu eenmaal in, die jongens moeten hun energie en agressie kwijt”. Anderen hebben zo’n steile aanpak, dat hun kinderen de schermactiviteiten bij de buren of op straat voortzetten. “Dan weet je dus helemaal niet wat ze doen.” Wij besloten tot een strenge begrenzing van de schermtijd en het aantal doden: twee keer per dag een half uur achter de tablet.

Ondanks die begrenzing blijven de repeterende geweldsgeluiden uit ‘dat ding’ een diepe weerzin bij me opwekken. Deze keer ben ik het helemaal zat. “We stoppen ermee en je gaat buiten spelen,” roep ik. Na een korte verbale schermutseling rent zoonlief naar buiten. Het duurt niet lang of ik hoor woeste kreten. Hij heeft zijn vrienden ontdekt en ze bewerken elkaar met zelfgemaakte zwaarden. “Ik vrees toch dat het erin zit,” hoor ik mezelf zeggen.

Ik scharrel boven een doos met oude jeugdboeken op. Ik vind een boekje van W.G. van der Hulst, dat ik vroeger duidelijk goed gelezen heb. Het heet: De Wilde Jagers. “Voor onze kleinen” staat er boven. In grote hanepoten staat op elke bladzijde mijn naam. Mijn oog valt op zinnen in hoofdstuk 2: “Ik schiet ze dwars dood!, zegt Gijs. “Schieten! Dood schieten,” schreeuwt Jan. Ik herinner me dat mijn eerste computerspelletje bestond uit het neerhalen van vliegtuigen. Ik vrees dat ‘het’ ook in mij huist.

’s Avonds laat het journaal een Irakees aan het woord met een zoontje op schoot. Hij vluchtte in 2015 naar Nederland omdat de stad Hawija, waar hij woonde, per abuis werd gebombardeerd. Nu, vier jaar later, blijkt dat door een Nederlandse F-16 te zijn gebeurd. Zijn huis ging in vlammen op en zijn zoontje verloor een oog. Minister Bijleveld en premier Rutte geven deze week in de Kamer en in de media uitleg over de meer dan 70 burgerdoden. We kunnen gerust zijn: Er was geen sprake van kwade opzet en alles viel binnen de juridische grenzen, die we met elkaar trokken rondom geweld. Tja, waarschijnlijk is dat het maximale wat we tegen ‘het’ kunnen doen: het (geweld) begrenzen. Toch neemt dat bij mij een gevoel van weerzin en protest niet weg. Diep in mij huist naast het ‘het’ een diep verlangen naar dat het een keer over is.

Advent gaat over de komst van een Kind, van wie wij als christelijke gemeente geloven, dat Hij ‘het’ niet in zich had. Dat ons verlangen vervult naar een wereld waarin geen bosjes doden meer vallen. Maar het is ook een protest tegen het geweld om mij heen en in mij. Kinderen, die in vele andere werelden leven op hun tablet, steken Adventskaarsen aan voorin de kerk: voorzichtig, bijna geluidloos. Even stappen zij – en wij met hen – een heel andere wereld binnen: de wereld van dat Kind. De vlammen wakkeren stil ons verlangen aan en ze flakkeren hoorbaar als protest.