Niets veranderd

Gerhard ter Beek

 

Aan de hand van mijn moeder liep ik op nieuwjaarsmorgen naar de gereformeerde ‘noodkerk’ bij ons in de buurt. Het was een noodkerk omdat de ‘echte’ gereformeerde kerk voor ons te ver weg was. In deze door en door rooms-katholieke streek lagen de gereformeerde kerken niet voor het oprapen en waren bijna allemaal streekkerken. Vandaar dat de ‘echte’ gereformeerde kerk voor ons ook te ver weg was. Dat het een door en door rooms-katholieke streek was had ook als gevolg dat ons gezin de enige protestanten waren bij ons in de straat.

Het was stil op straat, zoals het vaak stil is op straat op nieuwjaarsmorgen. Mensen slapen uit, na een vaak lange nacht. Op deze voettocht op nieuwjaarsmorgen liepen we, naar mijn gevoel, dan ook vaak eenzaam door de straten. Niemand te bekennen. We passeerden de rooms-katholieke kerk. De roomsen, door mijn vader consequent aangeduid als de paapsen, gingen blijkbaar niet naar kerk op nieuwjaarsdag en dus was die kerk gesloten. In tegenstelling tot de reguliere zondagen. Als wij dán deze kerk passeerden dan stonden de deuren open en terwijl we erlangs liepen vingen we dan flarden op van wat zich daar afspeelde. Verder wisten we daar niets over, want een rooms-katholieke kerk was voor ons gereformeerden een no-go area.

 

In mijn herinnering was onze kerk ook op nieuwjaarsmorgen altijd goed gevuld. Dat gaf ons ook wel een beetje een superieur gevoel ten opzichte van de rooms-katholieken die er, voor ons gevoel, toch maar een beetje de kantjes van af liepen. De meeste rooms-katholieken gingen op zaterdagavond naar de kerk, konden ze op zondag uitslapen, dachten wij. Dan gingen ze op zondag wel vaak naar de kroeg, voor ons gereformeerden een echte gotspe. En mijn rooms-katholieke vriendjes mochten op zondagmiddag wel naar de voetbalwedstrijd van Limburgia, die ooit landskampioen werden en Ajax met 0-6 versloegen.

 

Nieuwjaarsdag werd door ons als een echte zondag beleefd, alhoewel we natuurlijk wel wisten dat dat eigenlijk niet zo was. Maar bij die herinnering dat ik op nieuwjaarsdag met mijn moeder naar de kerk liep past ook een andere herinnering. Ik kan me nog goed mijn teleurstelling herinneren als jongetje van zeven, misschien acht jaar. Mijn teleurstelling betrof dan de ontdekking dat er niets veranderd was op nieuwjaarsmorgen. De huizen, de bomen, de straten: alles was nog hetzelfde. De kolentrein bleef gewoon, op honderd meter afstand van ons huis, ieder half uur doordenderen. De kerk was ook nog hetzelfde saaie uur, waar ik helemaal niets van begreep. De hoge verwachting die ik had van het nieuwe jaar was in ieder geval op nieuwjaarsmorgen niet uitgekomen en voor mij uitgelopen op een teleurstelling.

 

Nu kijk ik, op nieuwjaarsmorgen, naar buiten en herinner mij mijn gereformeerde jeugd in Limburg. En dan denk ik, gelukkig is er veel veranderd. Maar als ik dan naar de straat kijk en de bomen en de huizen prijs ik me tegelijkertijd ook gelukkig dat er ook dit jaar op nieuwjaarsdag niets veranderd is. Er is niets meer van de teleurstelling van mijn jeugd over gebleven.