Is dit een mens
theologisch-artikel11-2.jpg

 

Lang heb ik het niet willen lezen, ‘Is dit een mens’ van Primo Levi. Hij beschrijft zijn ontmenselijkt leven in Auschwitz. Te groot, te donker. En had ik Durlacher (vader van Jessica) en Oberski al niet gelezen, Etty Hillesum en Vasili Grossman (Leven en Lot)? Nu heb ik het toch gelezen. Hoe dat gekomen is, zal ik hier schrijven. Dit theologisch artikel krijgt zo de vorm van een persoonlijk leesverslag.

 

Jan Wilts

 

Een paar maanden geleden las ik de aankondiging van een nieuw boek: Primo Levi na God, van Joyce Rondaij. Rondaij was in november gepromoveerd aan de PThU op een dissertatie over Primo Levi en de aangekondigde uitgave is een publieksversie van dat proefschrift. Er stond iets bij die aankondiging, dat was deze zin: “Levi’s werk laat het belang zien van religieuze teksten om het verhaal van de mens te vertellen. Hij transformeert deze teksten en geeft ze betekenissen in nieuwe contexten. Hiermee zet hij religieuze taal in voor (…) betekenisverlening aan het zo complexe menselijke bestaan.” Deze zin dus, en ik las daarin een ontwikkeling die ik zo goed herken.

En ik ben Levi gaan lezen. Over de ontmenselijking, over hoe een paar gram brood het verschil maken; over hoe taal spreken en verstaan ook overleven is; over hoe wassen in smerig water waardigheid kan bevestigen – meer dan niet wassen; over dat de bedreiging van het mens-zijn onvergelijkelijk verwoestender is dan de bedreiging van het leven – en over Lorenzo. De gevangenen vertellen elkaar hun onontkoombare verhalen. “Ze hebben zich afgespeeld in Noorwegen, in Italië, in Algerije, in Hongarije, en zijn even simpel en onbegrijpelijk als de verhalen van de Bijbel. Maar zijn het dan ook niet de verhalen van een nieuwe bijbel?”

Levi was een chemicus uit Turijn, die – met een amateuristische verzetsgroep – werd opgepakt in 1943. Behalve verzetsman, bleek de fascisten, was hij ook Jood. Dat vroeg om een andere straf. Levi was een seculiere niet-religieuze jood en dat bleef hij, voor, in en na Auschwitz.

Wat Rondaij niet wil en ook volstrekt niet doet, is Levi voor één of ander godsdienstig karretje spannen. Wat ze wel doet, is secuur lezen hoe zijn verhalende taal over dit beproefde mens-zijn een bijdrage kan leveren aan een theologie over God ná de ‘god-die-alles-regisseert’ die in Auschwitz stopte met spreken, met bestaan. Rondaij sluit daarbij aan bij denkers die ik in deze rubriek eerder besproken heb, onder anderen Kearney en Keller, en bij Bonhoeffer en Levinas. Welke taal over God is geloofwaardig en welke inzichten biedt Levi’s beschrijving van wat een mens kan zijn daaraan?

Met drie citaten over de drie hoofdthema’s die Rondaij onderscheidt volg ik het spoor van Levi’s bijdrage aan het geloofwaardig spreken over mens en God nadat die andere god-die-alles-regisseert van het toneel verdwenen is.

Het eerste citaat, over onrechtvaardig lijden, naar aanleiding van Levi’s weergave van het boek Job:
“God is niet het antwoord op onze onbeantwoordbare vragen, maar we kunnen ‘God’ zeggen om woorden te geven aan onze eenzaamheid of om vragen te formuleren in onze zoektocht naar antwoorden.”
De betekenis van ‘God’ kan niet losstaan van de relatie tot mensen en de taal waarin ze dichten, denken, spreken en zingen.

Het tweede citaat, over chaos en schepping, gaat over het onwaarschijnlijke moment dat de tegen-de-schepping-werkende kracht (de chaos) van het kamp verschrompelt. Dit citaat komt uit Is dit een mens. Het beschrijft de dag dat de Duitsers het kamp verlaten hebben. Een paar zieke mannen zitten bij elkaar, Levi en zijn beide makkers repareren de kapotte ruit van hun ziekenzaal en dan “gebeurde het dat Towarowski (een drieëntwintigjarige (…) jongen die tyfus had) de andere zieken voorstelde om elk een stuk brood aan ons drieën die werkten te geven, en dat voorstel werd aangenomen. Nog maar één dag eerder zou een dergelijke gebeurtenis ondenkbaar zijn geweest. De wet van het Lager zei: ‘Eet het brood en als je kunt ook dat van je buurman’ en liet geen ruimte voor dankbaarheid. Dat betekende dat het Lager dood was.”
De poëtische zeggingskracht van Levi’s ingehouden stijl klinkt als die van een midrasj (joodse verhalende uitleg) van de schepping.

Het derde dan, gaat over goed en kwaad. Elk mens kent beide. Pas in wie onverschillig wordt, verdwijnt het onderscheid. Rondaij schrijft: “Zijn les aan theologen (…) is om ons af te vragen of theologische concepten nog voldoen, en niet weg te kijken van het lijden maar altijd aan de lijdende en zijn ‘vreemdheid’ te denken als we zoeken naar woorden.”

Nu dus toch – misschien was het ook goed zo lang te wachten – heb ik Is dit een mens gelezen, met een goede gids erbij. Levi zag hoe de menselijkheid kapot gemaakt werd. En hij zag ook hoe ze gered werd uit de modder. Dat kon, en dat kon ook niet… ‘het werd avond en het werd morgen, de zesde dag.’

 

Verder lezen:
Primo Levi, Is dit een mens, Amsterdam 2020
Joyce Rondaij, Primo Levi na God: Verhalen van een nieuwe Bijbel, Hilversum 2021

Schrijf je in voor de nieuwsbrief