“Daden gaan woorden te boven”

In de Oude Boteringestraat ontmoet ik Beno Hofman. Beno is een bekende Stadjer. Onder meer door het programma ‘Beno’s Stad’ waarvoor hij talloze afleveringen heeft gemaakt (momenteel worden op OOG TV alle afleveringen herhaald). We hebben afgesproken bij de Doopsgezinde Kerk waar Beno al bijna veertig jaar naar de kerk gaat.

Annelies Noordhof-Hoorn
stadjer14-beno-hofman.jpg
Beno Hofman. Foto: Robert van der Molen

Wat onmiddellijk opvalt, is dat de kerk niet, zoals de naburige huizen, voor aan de straat staat, maar helemaal naar achteren?

“Klopt. De doopsgezinden werden vroeger – net als de katholieken – ‘gedoogd’. Ze mochten wel hun geloof praktiseren, maar niet in het openbaar. Daarom werden de kerken van de doopsgezinden op een onopvallende plaats gebouwd. Oorspronkelijk stond er zelfs nog een huis vóór deze kerk, zodat hij helemaal aan het zicht onttrokken was. Toen rond 1800 de doopsgezinden een gelijkgerechtigde positie kregen, is dat huis afgebroken. Maar de kerk is nog steeds vrij onzichtbaar. Heel vaak weten mensen niet dat hier in de Oude Boteringestraat een kerk staat.”

 Ik weet dat jij de zoon bent van een dominee. Was jouw vader hier dominee?

“Nee, mijn vader was dominee van verschillende andere doopsgezinde gemeentes. Mijn vader is geboren in 1925 en de Tweede Wereldoorlog is heel bepalend voor hem geweest. Hij was vijftien jaar toen de oorlog begon en twintig jaar toen de oorlog afgelopen was. Toen hij van de hbs [middelbare school] kwam, moest hij bedenken wat hij wilde gaan doen. Hij was de eerste uit de familie die ging studeren en hij had grote belangstelling voor geschiedenis, maar mede door die oorlogsjaren heeft hij uiteindelijk gekozen voor theologie. Geweldloosheid en het weigeren van militaire overheidsdienst is van oudsher een vast gegeven bij doopsgezinden en dus ook in onze familie. En mijn vader werd door de oorlog gedwongen nog meer na te denken over oorlog en vrede.”

 Ben jij zelf in dienst geweest?

“Nee, er is nog nooit een Hofman in dienst geweest. Ik wist van jongs af aan dat ik dienst ging weigeren. Dat zit gewoon in je DNA. Ik ben toen door een andere doopsgezinde geholpen om mijn motivatie op papier te zetten. Uiteindelijk heb ik voor de commissie verklaard dat ik tegen geweld ben en dat ik hoopte dat ik zo sterk zou zijn om in geen enkele situatie geweld te gaan gebruiken, maar dat ik ook zeker wist dat als ik wel geweld zou gebruiken, ik daar de rest van mijn leven last van zou hebben. Ik draag ook altijd het gebroken geweertje. Mijn opa droeg hem als speldje en ik draag hem als ketting.”

 Hoe was het om de zoon van een dominee te zijn?

“Ik denk dat zo’n positie z’n sporen nalaat. Ik merk toch heel duidelijk dat ik een domineeskind ben. Net als veel andere domineeskinderen houd ik van schrijven en doe ik aan theater. Ik wil toch op dat podium staan. Vaak hoor je ook van domineeskinderen dat ze zich afkeren van het geloof. Ik deed dat ook. Toen ik een puber werd, ging ik me afzetten tegen de kerk. Niet zozeer tegen het geloof zelf. Doopsgezinden laten iedereen heel vrij, dus daar kun je je niet echt tegen afzetten. Bij ons thuis werd bijvoorbeeld nooit uit de Bijbel gelezen. We gingen wel naar de zondagschool en naar catechisatie (dat kreeg ik van m’n vader), maar ik wist als puber heel zeker dat ik geen geloofsbelijdenis wilde doen.”

 Toch ben je in deze gemeenschap terechtgekomen?

“Ja, na mijn studie in Amsterdam voelde ik me onmiddellijk thuis in Groningen. Mijn voorouders komen hier vandaan, hier liggen mijn wortels. Ik had een boek besteld over de geschiedenis van de doopsgezinden (dat was net uitgekomen) en de dominee – een collega van mijn vader – kwam dat brengen. Ik kende hem omdat hij mijn opa had begraven en ook andere leden van de familie. Hij vroeg me of ik het leuk zou vinden om een keer langs te komen bij de jonge-leden-kring in de gemeente en dat heb ik gedaan. Dat was gezellig. Anderhalf jaar later heb ik een belijdenis opgeschreven en uitgesproken en ben ik gedoopt.”

 Heb je die belijdenis nog?

“Ja, die heb ik nog. Ik weet nog heel goed wat erin staat. Doopsgezinden gebruiken geen bestaande belijdenisformulieren; je spreekt een persoonlijke belijdenis uit. Ik heb geschreven dat Jezus mij erg aansprak: geweldloosheid, opkomen voor de zwakkere, omzien naar elkaar. God vond ik moeilijker. Ik zie God niet als een Vader in de hemel, maar meer als een kracht, iets wat door mensen heen gaat en waar je steun aan kunt ontlenen. Dat heb ik uiteindelijk ook in mijn belijdenis uitgesproken. Verder heb ik genoemd dat ik me verbonden voelde met deze gemeente omdat mijn voorouders hier ook al lid waren.”

 Heeft de doopsgezinde gemeente toekomst?

“Ja, maar ik vind wel dat er absoluut iets moet veranderen. De taal die in de kerk wordt gesproken, is voor veel jongeren niet herkenbaar. Dat moet anders. Ik zou graag weer een groep willen oprichten voor de jeugd, maar ook voor jonge ouders die misschien wat op afstand zijn komen te staan van de gemeenschap, maar die wel bezig zijn met de vraag wat ze hun kinderen mee willen geven. Praktisch bezig zijn, is heel belangrijk. Ik hoop dat we ook weer kunnen beginnen met de Doperse Dis [een maandelijkse gratis warme maaltijd voor dak- en thuislozen]. Daar waren heel veel mensen bij betrokken en dat is een prachtige manier om gemeenschap te zijn. Dat past ook heel goed bij doopsgezinden: daden gaan woorden te boven.”

Hieronder kun je het interview online bekijken

Schrijf je in voor de nieuwsbrief