Halfvasten: de zin van het kerkelijk jaar

Bij verschijnen van dit nummer zijn wij zijn aangeland in het midden van de veertigdagentijd. Aanstaande zondag is het zondag Laetare (Latijn voor: ‘verheug u’). De naam van deze zondag is ontleend aan Jesaja 66:10, waarin de mensen worden opgeroepen zich met Jeruzalem te verheugen op een komende vrede die over de stad zal komen. Het is een zondag met een roze randje in de paarse tijd van vasten en bezinning met oog op Pasen. Voor even, halverwege de vasten, wordt er alvast vooruitgekeken naar Pasen. Daarom wordt deze zondag ook wel ‘Klein Pasen’ genoemd.

Tiemo Meijlink

Het is belangrijk dat oude gegeven van de kerkelijke kalender op waarde te schatten. Ook als het vastentijd is, tijd van boete doen en bezinning over het lijden van onze wereld, over het menselijk tekort, vond de kerk het kennelijk belangrijk om dat vasten niet geïsoleerd te bezien en te ervaren, maar het ook halverwege al in verband te brengen met het hoge feest van de kerk, met Pasen. Alsof men daarmee heeft willen zeggen: “Niet vergeten dat het daarom gaat: de gekruisigde die wij navolgen, is de Levende, de mens van Pasen die als de Geest van leven en liefde met ons is!”

Hoe beleven wij eigenlijk die kerkelijke kalender? Het zou goed kunnen dat velen dat alleen maar weer even te binnen schiet als je in de kerk komt en op de voorkant van de liturgie leest dat het de zoveelste zondag van de veertigdagentijd is. Of als de ouderling van dienst dat aan het begin van de dienst nog even noemt. “O ja, da’s waar, we zijn op weg naar Pasen,” denk je dan. Anderen beleven het misschien intenser, de 40 dagen, en houden zich aan een bepaalde manier van vasten. Hoe dan ook, steeds ervaren we vooral ook de druk van een andere tijd: de kloktijd, de urgentie van de actualiteit, het ritme van de agenda, het voortrazende leven van alledag. Op zich allemaal heel begrijpelijk, dat dat ons vooral bezighoudt.

Toch is het goed om die kerkelijke kalender te volgen, ook al is het misschien een tijdservaring in de marge van onze alledaagse beleving. Want op het ritme van het kerkelijk jaar worden we intens herinnerd aan het geheim waaruit de kerk haar inspiratie haalt. Het geheim, het mysterie van Jezus Christus, deze mens over wie wij aarzelend zeggen of soms ook jubelend zingen: hij is een mens uit God met de Naam ‘Ik zal er zijn’. Zo is de zin van het kerkelijk jaar een oefening in de tijd: in dagen, weken en periodes steeds opnieuw, steeds vanuit een ander perspectief ons Jezus Christus voor ogen te stellen.

Als ik dit schrijf, zijn we net opgeschrikt door de terreuraanval in Utrecht, waar doden en ernstig gewonden zijn gevallen. Zomaar middenin het gewone, dagelijkse leven van mensen. Vreselijk! Te midden van het verdriet en de schok kun je ook dankbaar zijn dat er een rechtstaat is die hier meteen op alle fronten actief wordt en de mensen beschermt en verzorgt die dat nodig hebben. Godzijdank is er in al het lijden van onze wereld de compassie, de zorg voor mensen. Laat ook dat gegeven een verwijzing zijn naar het mysterie van Pasen, waaraan wij ons in deze tijd toewijden.