Als de hemel op je wacht

Het was een jongen, jonger dan ik. Ooit had hij ergens de verkeerde stof ingeademd. En nu wachtte de hemel op hem. Longvlieskanker. Vorig jaar werd bekend dat het een kanker was waarvan hij niet genezen kon, maar eentje die je naar de hemel bracht. Hoe oud of jong je ook mocht zijn.

Anne Nijland

Een jaar lang duurde zijn ziekteproces. Een jaar van vele goede herinneringen en dierbare momenten. Een jaar waarin hij Jezus bezocht in een droom. Hij was in de hemel en zag daar zijn opa’s en oma’s. Jezus stond naast God en zei hem dat het niet lang meer zou duren, dat hij er dan ook mocht komen. Zijn grootouders drukten hem nog op het hart dat hij niet bang hoefde te zijn, dat het er goed was. Aan het eind van het jaar was het Jezus die op Zijn beurt de jongen bezocht in een droom. Op zijn sterfbed sprak hij ineens hardop, dat hij naar buiten wilde, dat Jezus binnen wilde komen, want Hij kwam hem halen. Waarom die deur toch dicht zat, dat die open moest.

“Hoi Jezus,” zei hij toen de voordeur werd opengedaan, “ik kan niet meer, ik ben zo moe, wilt U me dragen?” En Jezus antwoordde iets wat de jongen niet meer navertellen kon. Weer sprak de jongen: “Ik kan niet meer, kunt U me dragen?”

Het deed de jongen goed. Hij werd rustig van deze dromen. Angst voor het einde hier op aarde veranderde in vertrouwen. De hemel wachtte op hem. Zijn toekomst was zeker, en dat was een oneindig goede toekomst. Zo werd de jongen een troost voor velen die over zijn dromen hoorden. Zijn kanker veranderde voor hem in een anker, een houvast van hoop en geloof. Dat het goed was, dat de hemel op hem wachtte.